Waarom we (soms) eenvoudige antwoorden geven
(Wat maakt het verschil - 2006)
Ik heb u een aantal voorbeelden gegeven van simpele antwoorden. Voorbeelden die we allemaal kennen vanuit de praktijk. Dat geldt voor u familieleden, dat geldt voor ons hulpverleners en het geldt voor de cliënten. We komen allemaal met simpele oplossingen als het water ons aan de lippen stijgt. ‘Jullie moeten ons kind nu helpen of we gaan er zelf aan onderdoor,’ roepen de ouders wanhopig uit. ‘Je neemt nu of je medicijnen of we nemen je op,’ stellen we nors tegen de cliënt. ‘Jullie kunnen allemaal het dak op,’ stelt de cliënt weer op zijn beurt – ‘ik ben niet gek, maar jullie zijn gek’ – over eenvoudige oplossingen gesproken.
Hoe dan ook, met deze voorbeelden zijn we dan toch al in het stadium belandt, dat we tegen elkaar roepen. En hoewel roepen, geen ideale manier van communiceren is, dan is het toch al een voorbeeld van communicatie en dat is altijd beter dan geen communicatie. Ik weet uit eigen ervaring, en met mij vele familieleden die hier vandaag aanwezig zijn, wat het is om geen communicatie te hebben. Om alleen te staan in je machteloosheid, met die ene onbeantwoorde vraag: wat is hier in godsnaam aan de hand.
Wij hadden in onze familie een tante, die altijd al anders was dan de anderen. Deze tante, Puck noemde zij zichzelf, het was niet haar echte naam, ze had die zelf gekozen, stond voor ons model voor alles wat vreemd en anders was. Ze was heel intelligent, wist veel van kunst, hoewel de boeken die ze bestelde in de plastic verpakking bleven, en ze at altijd van die speciale dingen, onder andere puree van ansjovis kan ik mij herinneren. Ze was ook erg chique, hoewel haar ouders, mijn grootouders, een echte arbeidersfamilie vormden. Zij was chique geworden vanaf haar 18e toen ze een jaar lang een dienstje had, bij een deftige meneer. Na een jaar overleed deze man en Puck is nooit meer dezelfde geworden
Ze bleef lang bij mijn grootouders thuiswonen. Ze sprak altijd over weggaan, maar ze ging nooit weg. Toen mijn opa en oma uiteindelijk naar een bejaardenflat vertrokken – is zij elders in de stad in een flat op zichzelf gaan wonen. Lang ging het niet goed. Ze belde voortdurend naar mijn vader en naar mijn grootouders. Mijn opa en oma, die toch al zo met haar hadden afgezien, waren ten einde raad. De vraag ‘hoe is met Puck,’ werd uiteindelijk maar niet meer gesteld. Ze leek voor geen rede vatbaar. Mannen vielen haar lastig in de flat er zou ingebroken zijn, maar het was niet duidelijk of daadwerkelijk iemand was binnengekomen. Voor de flat was een stuk telefoonkabel blijven liggen, en Puck was ervan overtuigd dat ze daardoor werd afgeluisterd. Uiteindelijk was ze de pesterijen en het niet gehoord worden zo zat, dat ze haar televisie en andere spullen uit de flat van tienhoog naar beneden gooide. Toen kwam de crisisdienst.
De diagnose was snel gesteld. Het zat hem in de communicatie tussen mijn grootouders en Puck. Ze kregen vanuit de crisisdienst vijf gesprekken op basis van ´systeemtherapie´ aangeboden. Mijn oma, toen al een flink eind in de zeventig, kreeg te horen dat ze haar dochter teveel als een baby behandelde. En mijn tante moest zich niet zo verwend opstellen. Daarmee moesten ze het doen.