Betekenis vervolg
(Wat maakt het verschil - 2006)
Dat is nog een van de punten die we als behandelaars en begeleiders van de langdurige zorg nog meer onder ogen moeten zien. Dat onze cliënten, getekend door een ernstige psychiatrische ziekte, het liefst van zichzelf uit contact maken met de wereld. Het is wel belangrijk dat je er bent – dat wanneer men wil, ze aanspraak op je kunnen doen. Maar dring je eigen ideeën niet op aan de cliënt. Ik heb het zelf een aantal keren mee moeten maken dat ik op alle mogelijke manieren voor een cliënt een dagbesteding bedacht – wat steeds misging – tot ik het volledig aan de cliënt zelf overliet en in de loop van de jaren vanzelf een daginvulling van de grond kwam – die ik nooit zelf had kunnen bedenken. Wij kunnen een omgeving creëren waarvan we denken dat een cliënt zich daar goed in voelt – maar uiteindelijk bepaalt de cliënt zelf wat voor invulling hij aan zijn leven geeft.
Voor familie zijn dit ook lastige punten. Natuurlijk zien zij hun gezinslid graag een eigen weg gaan, maar wanneer dit inhoudt dat zij niet echt afstand nemen van hun psychotische beleving en dat zij zich veelvuldig terugtrekken uit de gewone sociale contacten dan vervult hen dat met angst. Ze zijn bang dat hun zoon of dochter, vader of moeder opnieuw in een psychotische, manische of depressieve episode terechtkomt, wanneer deze zich terugtrekt op de eigen kamer en filosofische boeken begint te lezen of plotseling weer muurschilderingen gaat maken. En, om het nog ingewikkelder te maken, dit zijn inderdaad vaak voortekenen van een terugval – maar niet altijd!
Ik denk dat behalve de angst voor een terugval, ook nog een andere, diepere angst een rol speelt. Als vader of moeder of als kind heb je al eens de ervaring gehad dat je je vertrouwde gezinslid kwijtraakte aan een psychiatrische ziekte. Tijdens de psychose of de uitgesproken manische buien had je de indruk dat dit niet meer jouw echte kind of jouw eigen vader of moeder was. Zolang het gezinslid nu met een psychiatrische ziekte, afstand houdt van zijn ziekte, kan spreken over zichzelf en zijn stoornis, dan geeft dat een geruststellend gevoel: het oude, vertrouwde is er nog. Maar wanneer zoon of dochter, broer of zus, vader of moeder, zich identificeert met die psychotische ervaring – dan begin je het gevoel te krijgen van vervreemding, dat je hem of haar definitief dreigt kwijt te raken. Maar voor de cliënt zijn eigen leven is het heel belangrijk dat het betekenis kan ontlenen aan de ervaringen die samenhangen met zijn ziekte. Betekenis geeft een mens weer toekomst. Oorzaak wijst terug naar het verleden, verklaart waarom je kind of je vader of moeder zo doet, waardoor het voor jou als familie het makkelijker wordt om er mee om te gaan. Maar de persoon in kwestie heeft meer nodig dan een (medische) verklaring, die ziet zich voor de opgave gesteld opnieuw zin te geven aan zijn leven, nadat heel bijzondere ervaringen intrede hebben gedaan in zijn leven. Ervaringen die altijd nauw samenhangen met wie en wat je bent.
De behandelaar staat hierbij tussen de cliënt en de familie in, op een plaats die onvermijdelijk de nodige spanning met zich meebrengt. Ook de behandelaar wil er alles aan doen zijn cliënt de diagnose duidelijk te maken en de mogelijke gevolgen daarvan op zijn verdere leven. Verder wijst de behandelaar de cliënt welke mogelijkheden er zijn voor behandeling, op het gebied van medicijnen, psychologische therapieën en trainingen. Over dagbesteding, opleiding en werk wordt gesproken en de cliënt wordt verwezen naar deskundigen op dit gebied.
Maar in de langdurige zorg, waar we vrijwel altijd te maken hebben met mensen bij wie de ervaringen rond hun psychiatrische ziekte een beslissende rol in hun leven hebben vervuld, willen we onze cliënten ook ondersteunen in het vinden van betekenis als het gaat om hun eigen, bijzondere, voor de buitenwereld ‘psychotische,’ maar tegelijkertijd hoogstpersoonlijke ervaringen. Dit houdt in dat wij uitgaan van hun eigen ervaring, dat ze een speciale opdracht hebben, dat ze hun leven willen wijden aan een ‘immaterieel’ bestaan in dienst van God, of dat ze gewoon zoveel mogelijk met rust willen worden gelaten omdat het hele dorp over hun roddelt. We ‘respecteren’ die ervaring niet alleen, maar we nemen ze serieus en zijn bereid om samen met hun te kijken hoe ze binnen de mogelijkheden (en helaas vele beperkingen) van onze samenleving vanuit deze ervaring een zo goed mogelijk leven kunnen leiden.
De familie is daar niet altijd gelukkig mee. Men is bang dat we de (pathologische) ervaringen van onze cliënten op deze wijze versterken of dat ze daardoor in hun psychotische beleving blijven ‘hangen.’ Ik denk niet dat dit het geval is. De ervaringen die mensen met een ernstige psychiatrische stoornis gehad hebben laten zich niet ‘loskoppelen’ van zichzelf, van wie en wat ze zijn. Zouden wij dit gedeelte in de begeleiding overslaan, dan missen we het contact met hen. De familie heeft op een andere wijze contact met hun gezinslid, dan de hulpverlener met zijn cliënt. Vanuit de familie is er contact op een natuurlijke basis, mijn kind, mijn vader of moeder – en dat contact blijft in mijn ervaring ook altijd bestaan. Maar wij als hulpverlener hebben contact met de persoon, vanuit het hier en nu, zoals die zichzelf nu ziet, wat hij nu beleeft en daar maakt de psychotische beleving onlosmakelijk deel van uit. Los daarvan, is mijn ervaring dat als je een mens de kans geeft vrijuit over zijn ervaring te spreken en deze ook betekenis te geven – dat ze uiteindelijk ‘opener’ worden en ook weer ‘gewoner’ gaan doen naar hun familie toe.